Toen Pauline ruim twee jaar geleden solliciteerde op een functie als coördinerend begeleider bij Philadelphia, waren de slaapdiensten in de zorg het enige waar ze over twijfelde. “Dat ik een goede slaper ben, stelde me niet bepaald gerust”, vertelt ze. “Want slapen in je eigen vertrouwde bed, zonder werktelefoon op je nachtkastje en zonder verantwoordelijkheid over dertien bewoners met een lichte verstandelijke beperking, dat is echt andere koek. Mensen in mijn omgeving grapten dat ik vast slapend rijk zou worden. Maar rijk; dat word je nou eenmaal niet van ons werk. En wat betreft dat slapen…”

Slaapdiensten in de zorg

Pauline herinnert zich nog goed hoe ze tegen haar eerste slaapdiensten op zag. Hoe ze haar nieuwe collega’s zorgvuldig observeerde en ze lastigviel met tig van ‘waarom-vragen’. “Maar ook hoe ik hen wanhopig appte met de vraag of ze alsjeblieft de eerste diensten achterwacht wilden zijn. En ze vroeg dat nog eens extra te bevestigen. Hoe ik voor mijn dienst een lijstje maakte met dingen die ik écht niet mocht vergeten en van de vragen die ik nog moest stellen. Want wat als de stroom opeens uitvalt? De bewonerstelefoon het niet doet? Een bewoner niet reageert als ik op zijn deur klop? Iemand agressief wordt? Als dertien bewoners opeens allemaal tegelijkertijd ziek worden of ik zelf spontaan een inzinking krijg?”

Zoals je voelt aankomen hadden de eerste slaapdiensten die Pauline draaide niets met slaap te maken. “Ik deed echt mijn best. Maar hoe meer aandacht ik aan slapen gaf, hoe minder het lukte. Piekeren ging me wel goed af. Ik ging twijfelen aan zo’n beetje alles wat ik fout had kunnen doen. Heb ik goed afgesloten? De juiste medicatie gegeven? Ben ik niets vergeten? Wat hoor ik daar nou? Trouwens, heb ik de wekker wel echt om zes uur gezet? Oooh, geen brood uit de vriezer gehaald… Om moe van te worden.”

Wakker in bed

En dus bracht ze een groot deel van haar eerste slaapdiensten in de zorg wakker door. “De televisie in de slaapwacht draaide overuren en soms ging ik maar naar het kantoor ernaast om wat te lezen in het elektronisch cliëntdossier. Op die manier leerde ik snel alle bewoners goed kennen en duurden de nachten niet zo ontzettend lang. Soms viel ik het laatste uurtje, van vijf tot zes, eventjes in slaap en werd ik daardoor nog chagrijniger wakker.”

Er gingen maanden overheen, tot er een eindelijk een dienst kwam waarin Pauline qua slaap resultaat boekte. “Ik sliep zes uur en was zo trots als een pauw. Voor het eerst kon ik de bewoners aan het ontbijt vertellen dat ik goed had geslapen. Voor even leken de rollen omgedraaid, alsof de bewoners mijn begeleider waren en andersom. Wat wáren ze trots op me.”

Slaapdiensten: niet rijk, wel rijkdom

Inmiddels zijn we ruim twee jaar verder. Pauline is in de tussentijd moeder geworden van een zoon. “Een lief jongetje dat met regelmaat ’s nachts behoorlijk kan huishouden.” Slaapdiensten, die draait ze dus tegenwoordig elke nacht. “Nu kijk ik uit naar die ene échte wekelijkse slaapdienst op mijn werkplek. Waar ik tegenwoordig standaard zes, of in het weekend zelfs acht uur aaneen slaap. Waar ik piekeren en twijfelen allang achter me heb gelaten, maar zelfverzekerd en gerust de nacht in ga.”

Rijk in de portemonnee wordt Pauline van slaapdiensten in de zorg na een paar jaar nog steeds niet. En dat zal ook niet zo snel veranderen. “Maar om ’s morgens samen met de bewoners te kunnen ontbijten, ze uit te zwaaien naar hun werk en ze te mogen begeleiden bij hun dagelijkse taken: dat noem ik pas echt rijkdom. Om er ’s nachts voor hen te zijn wanneer dat nodig is. En om af en toe met kleine oogjes in mijn stippen-badjas aan hun bed te staan om ze gerust te stellen. Ik zou niet anders meer willen.”